Bedolven onder opvattingen en gewoontes, heft een vrouw haar gezicht ten hemel. Vergeef me mijn tekortkomingen. Gevangen in de verwarring van de geest, maakte ik mij nodeloos schuldig, brak harten, bezorgde pijn. Niet bij machte de schoonheid van het leven in te zien,
bepaalde wanhoop mijn koers.

Nuchter en waakzaam de betekenis van tegenspoed doorlevend, gaf het hart geheimen prijs. Verscholen achter maskers van leegte, brandt almaar een heilig vuur van licht, kracht en liefde. Onderdrukking en onwetendheid voorbij herrijst ze, naakt en vergeeft.

In het oog van de storm leeft ze haar eigen verhaal. Onbezweken en krachtiger dan ooit,
steeds meer zichzelf. Haar ziel glimlacht tevreden, ademt heldere geluiden.
In verbinding met de natuur openen goede wil en wijsheid nieuwe wegen van bestaan.

Vrede sluitend met verlies, draagt ze onbaatzuchtig harten op handen en jubelt een lofzang voor de beminde. Ook al wordt ze gekruisigd, in dit ontwaken kan ze waarachtig zijn.

Categorieën: Poëzie